Maatregelen wegens
het coronavirus

Bergschild 32-40

Bergschild 32-40 “Huize de Ploeg”

Dit huis heeft een van de mooiste klassieke gevels van Deventer. Een statig hoekpand dat nabij de opgang van de Bokkingshang naar het Bergschild de ingang tot het Bergkwartier markeert. in het Deventer Stratenboek stond het aangeduid als `het laeste huis nae die Bergpoort'.

In 1788 omvatte het huis, toen `De Ploeg' geheten, twee woningen onder één dak. In 1834 schreef Mannes Kloosterboer aan burgemeester en wethouders dat hij `De Ploeg' had gekocht' op den hoek bij de trap voor den Bokkingshang'. Hij wilde het verbouwen tot een banketbakkerij en de oven moest in de kelder komen. Ook wilde hij een nieuwe voorgevel optrekken `tot op 30 duimen' (ongeveer 75 centimeter) achter de trapleuning van de stenen trap naar de Bokkingshang. Bovendien wilde hij aan de `enge passage' bij het pothuis afbreken en daar een gevel bouwen die `meer of minder 40 duim binnenwaarts ' zou liggen. In het pand zelf wilde hij ongeveer 2 el van het uiteinde van de stadsmuur afbreken.

Uit de situatieschets die hij toevoegde en die bewaard is gebleven, blijkt dat er een vrijwel nieuw huis moet zijn gebouwd, dat in plaats van op het eind van de 18e eeuw op 1834 gedateerd moet worden. Wie kan de zo klassiek ogende, maar toch qua bouwtijd misleidende gevel hebben ontworpen? Wellicht geeft een bepaling in het antwoord van B en W aan Kloosterboer hierover een indicatie. In hun brief antwoordden deze `dat de voorgestelde inkorting der zijgevel van zeer veel nut voor de passage aldaar kan gerekend worden' en dat ook de andere voorstellen hun goedkeuring zouden krijgen, mits een en ander zou geschieden onder toezicht van de `Stads Architect'. Wellicht is het niet bij toezicht alleen gebleven en heeft de toenmalige assistent van stadsbouwmeester Van Zalingen, Bernardus Looman, die al nauw betrokken was bij `stadswerken' en in 1837 zelf stadsbouwmeester zou worden, naast algemene adviezen ook het gevelontwerp voor zijn rekening genomen. Hij zou bekend worden om zijn klassieke, zeer zorgvuldig gedetailleerde gevels. Nadat ook de buurman, de ijzerhandelaar J.S. Werle, die in de aangrenzende kelder kolen bewaarde en bang was voor brand, gerustgesteld was, kon Kloosterboer bouwen. Zijn nieuwe huis was zo ruim en had zo veel allure dat aanzienlijke huurders er hun intrek namen. Bij de volkstelling van 1839 blijkt namelijk Wolter Jacob IJssel de Schepper hier te huren, waarschijnlijk de verdieping met een eigen uitgang aan het Bergschild. Hij was een aanzienlijk man, controleur bij de directe belastingen en het kadaster. Bij de volkstelling gaf hij echter op `rentenier' te zijn. Hij woonde er samen met zijn vrouw Susanna Teding van Berkhout, hun zeven kinderen, een knecht en een meid. Kenmerkend voor die tijd was dat aanzienlijke families hoe langer hoe meer permanent op hun buitens gingen wonen, maar de winterse geneugten van de stad nog niet wilden missen en in dat jaargetijde tijdelijk verbleven op gehuurde appartementen. Rijk en arm bleven zo in de stad nog lang vlak bij elkaar wonen. In 1874 verfraaide Harmen Jan Kloosterboer het huis aan de kant van de haven. Hij maakte er een uitbouwtje aan de kelder, versierd met pilasters, Korinthische kapitelen en tuinvazen, dat later tot serre werd verbouwd. In het begin van deze eeuw verdween weliswaar de bakkerij, maar het huis bleef tot het midden van de jaren vijftig het woonhuis van de dames Kloosterboer. Aan de ononderbroken bewoning door één familie is het vooral te danken dat dit aan drie kanten vrijstaande, prachtige huis vrijwel ongeschonden bewaard bleef. Opmerkelijk is de fraaie architectuur van de voorgevel; beneden de hoge begane grond en boven de indrukwekkende gevelbeëindiging. De rijk versierde kroonlijst waarin geraffineerd de bovenlichten van de zoldervensters zijn verwerkt, sluit aan op de gevel, waarin de met luiken bezette toegangen tot de zolder kwamen. Hoekpilasters over de volle hoogte van de gevel zijn het kader waarbinnen de luiken en ramen, naar boven toe steeds iets kleiner, werden geplaatst. Een reeks elegante dakkapellen en markante schoorstenen bekronen ten slotte het huis. Heeft deze typerende gevelbeëindiging navolging gevonden in een andere bakkerij, het `poorthuis' Grote Kerkhof, nu Duimpoort? De afbraak van het eraan voorafgaande en de bouw van het nieuwe pand in 1839 werden ongetwijfeld ook begeleid door stadsbouwmeester Looman. De vijf appartementen die het pand bergt, zijn alle van verschillende grootte en indeling. Het appartement op de benedenverdieping vertoont nog een groot keldergewelf waarin een keuken en kamer zijn gesitueerd op de plek van de vestingmuur, waarvan nog een van de vestingmuur, waarvan nog een stuk te zien is en waar vroeger Kloosterboer aan geknabbeld heeft.


Terug naar onze collectie